Stotteren is een genetisch probleem
(F.E.T. 20 juli 2001)


Een definitie geven van stotteren is net zo moeilijk als de oorzaak van het stotteren aan te geven, stelt logopedist en stottertherapeut Gert Reunes. Hij schreef aan de vooravond van het zesde wereldcongres voor stotteraars het boek: Als spreken moeilijk is. Een gids voor stotteraars en hun omgeving. Voor Reunes is het stotteren een zuiver genetisch probleem. Hij huivert bij een psychoanalytische benadering. Stotteraars zullen niet leren spreken op een sofa van Sigmund Freud. In plaats daarvan pleit de auteur die tevens voorzitter is van de Belgische Belangengroep voor Stotteraars voor de Hausdörfer-methode en de neurofysiologische cerebrale dominantietheorie van Orton & Travis.Johan Tits

De 40-jarige Reunes is naar eigen zeggen de enige licentiaat logopedie met een stotterprobleem. Vorig jaar behaalde hij zijn diploma aan de Universiteit Gent. Door zijn stotterprobleem verliep zijn studie niet zonder problemen, maar de auteur kan tegen een stootje. Dat moet blijkbaar, als je stottert. Reunes stottert al van in zijn kindertijd. Ik was drie jaar oud toen het begon. Dat mondde ook bij mij uit in de grootste fout die stotteraars vandaag maken. Ik ontvluchtte het probleem. Ik had angst om iemand te telefoneren of om op café iets te bestellen. Vele stotteraars redeneren vandaag zoals ik toen: je voelt je als stotteraar alleen op de wereld en je steekt jezelf weg. De meeste stotteraars hebben dan ook schrik om zichzelf te tonen. Rond stotteren hangt vandaag nog steeds een taboe. Wie in een rolstoel zit, kan zijn probleem veel beter naar buiten brengen dan iemand met een stotterprobleem. Daarom wil ik met mijn boek de mensen met een stotterprobleem een signaal geven over hun probleem te praten en naar buiten te komen. Niet alle 55.000 stotterende Vlamingen leven natuurlijk in de anonimiteit en niet iedereen heeft een zwaar stotterprobleem. Dat belet niet dat vele stotteraars wegkwijnen in de psychiatrie, stelt Reunes. Hij omschrijft Als spreken moeilijk is als het eerste echte zelfzorgboek voor stotteraars en mensen uit hun omgeving. Het wil vooral een praktische en taboedoorbrekende gids zijn. Er staat een massa raadgevingen en praktische informatie in. Alleen moet de stotteraar niet denken dat hij na de lectuur van het boek veel beter zal spreken, zegt hij.

Feiten
Reunes schreef het boek samen samen met klinisch psycholoog Philip Vuylsteke en onder het wetenschappelijk toezicht van professor John van Borsel. In het werk zetten ze enkele gegevens over stotteren op een rijtje. Vandaag heeft 1 procent van de wereldbevolking een stotterprobleem. De kans dat kinderen stotteren, bedraagt volgens recente wetenschappelijke studies 4,2 procent. Een mannelijke stotteraar wiens vader ook stottert heeft 35 procent kans dat ook zijn zoon stottert en 9 procent dat zijn dochter stottert. Een vrouwelijke stotteraar wiens vader ook stottert heeft 71 procent kans dat haar zoon zal stotteren, terwijl dat voor haar dochter 0 procent is. Opvallend is ook dat vier maal meer mannen dan vrouwen stotteren. Dat is nog maar eens een aanduiding dat het stotteren een genetische achtergrond heeft. Op stottervlak zijn de mannen zeker het zwakke geslacht. Ik baseer mij voor de genetische verklaring van het stotteren op wetenschappelijke onderzoeken die gebeurd zijn op eeneiige tweelingen en op stamboomonderzoek, stelt Reunes.

Een definitie geven van stotteren is volgens de auteur zeer moeilijk. In de literatuur zijn er zoveel definities, maar geen enkele voldoet en is volledig. Stotteren kun je moeilijk algemeen definiëren omdat het een zodanig dynamisch en complex probleem is en verschilt van persoon tot persoon, legt Reunes uit. Wel moet je volgens de auteur een duidelijk onderscheid maken tussen primair en secundair stotteren. Primair stotteren is zoals het woord het zegt: beginnend stotteren. Dat betekent dat je woordjes herhaalt of blijft hangen op een klinker of medeklinker. Primair stotteren ontstaat tussen het tweede en derdede leerjaar en zou volgens de jongste Amerikaanse studies verband houden met een aangeboren synchronisatiestoornis in de hersenen. Het secundaire stotteren is een aangeleerd gedrag dat verschilt van mens tot mens. Dit ontstaat, wanneer het kind zich bewust wordt van zijn primair stotterprobleem en ervoor vlucht of er krampachtig tegen vecht. Personen met een secundair stotterprobleem isoleren zich, gebruiken synoniemen, gaan situaties uit de weg en verdringen hun eigen persoonlijkheid. Vaak ontstaan ook fysieke problemen zoals buikkrampen en hartkloppingen. Ik probeer altijd eerst het secundaire stottergedrag af te leren omdat het aangeleerd is. Het primaire stottergedrag is genetisch bepaald. Mijn ervaring leert dat secundair stottergedrag vooral te maken heeft met spreekangst, legt Reunes uit. Zelf had hij naar eigen zeggen zeven jaar geleden veel last van secundair stotteren in de vorm van vluchtgedrag.

Hersenafwijking
Stotteren is geen ziekte maar een hersenafwijking, legt Reunes uit. Stotteren kan je eigenlijk niet afleren. Het is niet te genezen. Toch is het voor wie echt gemotiveerd is mogelijk op een gecontroleerde manier te spreken, stelt hij. Zelf leerde de stottertherapeut zijn stotteren beheersen via de Hausdörfer-methode. Reunes heeft die methode van het trager en zangerig spreken in Vlaanderen mee groot gemaakt. Toch geloof ik niet in de Hausdörfer-methode als de enige en zaligmakende manier om het stotteren af te leren. Iedere stotteraar is een unieke stotteraar. Je moet dus eerst onderzoeken hoe de persoon in kwestie in elkaar zit om te zien of de Hausdörfer-methode toepasbaar is. Als voorzitter van de Belgische Belangengroep voor Stotteraars (BeSt) sta ik open voor alles. Ik heb wel ervaren dat personen met een stotterprobleem die alles hebben geprobeerd, van logopedie tot handoplegging, met de Hausdörfer-methode zeer veel vooruitgang maken, stelt hij.

De Hausdörfer-methode, waarmee hij zeven jaar geleden begon, heeft voor Reunes persoonlijk zeer goed gewerkt. De methode is genoemd naar de in 1864 geboren Hugo Heinrich Oscar Hausdörfer. Hij was een zwaar stotteraar die zijn lot in eigen handen nam om tot een oplossing van zijn stotterprobleem te komen. Uiteindelijk richtte hij op 20 november 1895 het zogenaamde Spreekleerinstituut op. Vandaag baseert het Nederlandse Instituut Natuurlijk Spreken (INS) zich op de inzichten van Hausdörfer om mensen met stotterproblemen te helpen. De methode baseert zich niet op verschillen tussen stotteraars en natuurlijke sprekers maar op aspecten waarin de stotteraar van zichzelf verschilt op verschillende momenten: wanneer hij wel en wanneer hij niet stottert. Daardoor komt de kern van het probleem aan het licht. De spreekrust is immers verstoord als het vertrouwen in het uitspreken van bepaalde woorden of letters ontbreekt. De Hausdörfer-methode geeft een weg aan die het de stotteraar mogelijk maakt het vertrouwen in zijn spreken of spreekrust te herstellen en te behouden. Dat mondde uit in de methode van het zangerig spreken omdat de meeste stotteraars bij het zingen geen probleem ondervinden. Reden is dat zij net als niet-stotteraars ervan overtuigd zijn hierbij geen problemen te kennen. Door dat gevoel blijven ze rustig en spreken ze beter. De Hausdörfer-methode komt hierop neer dat je als stotteraar je spreeksnelheid sterk vertraagt. Daarnaast moet je luisteren naar je eigen klanken en die sturen. Je zit dan als stotteraar als het ware aan het stuur van je klankenpatroon, legt Reunes uit.

Dominantie
Gert Reunes heeft via de Hausdörfer-methode de link gelegd met de cerebrale dominantietheorie van de Amerikaanse wetenschappers Samuel Orton en Lee Edward Travis. Travis bracht spreken voor het eerst in verband met de hersenactiviteiten en lanceerde met Orton een van de eerste neurofysiologische theorieën over het ontstaan van stotteren. De cerebrale dominantietheorie stelt dat stotteren het gevolg is van een gebrekkige dominantie van de ene hersenhelft over de andere. Bij de natuurlijke sprekers is dat de linkerhersenhelft. Bij de stotteraar is er geen of onvoldoende dominantie van de linker- op de rechterhersenhelft waardoor geen goede synchronisatie plaatsvindt in de signalen die naar de articulatiespieren gaan.  

Vandaag wint de theorie van Orton & Travis steeds meer aan belang omdat men nu bij stotteraars veel beter kan zien welke hersendelen actief zijn. Uit de vooronderzoeken die aan de verschillende universiteiten zijn gevoerd, blijkt dat bij stotteraars de twee hersenhelften even actief zijn, stelt Reunes. De link van de Hausdörfer-methode met de theorie van Orton & Travis is volgens de auteur evident. Algemeen wordt aangenomen dat de rechterhersenhelft wordt gebruikt voor intonatie, ritme en spreeksnelheid. Als je dat gaat overdrijven, ga je de functie van de rechterhersenhelft sterk stimuleren. Dat leidt tot een vloeiender spreekgedrag, besluit hij.

Philip Vuylsteke en Gert Reunes m.m.v. prof. dr. John Van Borsel - Als spreken moeilijk is. Gids voor stotteraars en hun omgeving - Tielt, Lannoo, 173 blz.,16,96 euro (684 fr.),ISBN 90-209-4413-4.

Het zesde wereldcongres voor stotteraars loopt van 23 tot 26 juli in de Aula te Gent. Inlichtingen: www.stotteren.be of e-mail: vzw.best@skynet.be


Henk Dheedene

© 2001 Uitgeversbedrijf Tijd NV