Een definitie geven van stotteren
is net zo moeilijk als de oorzaak van het stotteren
aan te geven, stelt logopedist en stottertherapeut Gert Reunes. Hij
schreef aan de vooravond van het zesde wereldcongres voor stotteraars het
boek: Als spreken moeilijk is. Een gids voor stotteraars en hun omgeving.
Voor Reunes is het stotteren een zuiver
genetisch probleem. Hij huivert bij een psychoanalytische benadering.
Stotteraars zullen niet leren spreken op een sofa van Sigmund Freud. In
plaats daarvan pleit de auteur die tevens voorzitter is van de Belgische
Belangengroep voor Stotteraars voor de Hausdörfer-methode en de
neurofysiologische cerebrale dominantietheorie van Orton &
Travis.Johan Tits
De 40-jarige Reunes is naar eigen zeggen de enige licentiaat logopedie met
een stotterprobleem. Vorig jaar behaalde hij zijn diploma aan de
Universiteit Gent. Door zijn stotterprobleem verliep zijn studie niet
zonder problemen, maar de auteur kan tegen een stootje. Dat moet blijkbaar,
als je stottert. Reunes stottert al van in zijn kindertijd. Ik was drie
jaar oud toen het begon. Dat mondde ook bij mij uit in de grootste fout
die stotteraars vandaag maken. Ik ontvluchtte het probleem. Ik had angst
om iemand te telefoneren of om op café iets te bestellen. Vele
stotteraars redeneren vandaag zoals ik toen: je voelt je als stotteraar
alleen op de wereld en je steekt jezelf weg. De meeste stotteraars hebben
dan ook schrik om zichzelf te tonen. Rond stotteren
hangt vandaag nog steeds een taboe. Wie in een rolstoel zit, kan zijn
probleem veel beter naar buiten brengen dan iemand met een stotterprobleem.
Daarom wil ik met mijn boek de mensen met een stotterprobleem een signaal
geven over hun probleem te praten en naar buiten te komen. Niet alle
55.000 stotterende Vlamingen leven natuurlijk in de anonimiteit en niet
iedereen heeft een zwaar stotterprobleem. Dat belet niet dat vele
stotteraars wegkwijnen in de psychiatrie, stelt Reunes. Hij omschrijft Als
spreken moeilijk is als het eerste echte zelfzorgboek voor stotteraars en
mensen uit hun omgeving. Het wil vooral een praktische en
taboedoorbrekende gids zijn. Er staat een massa raadgevingen en praktische
informatie in. Alleen moet de stotteraar niet denken dat hij na de lectuur
van het boek veel beter zal spreken, zegt hij.
Feiten
Reunes schreef het boek samen samen met klinisch psycholoog Philip
Vuylsteke en onder het wetenschappelijk toezicht van professor John van
Borsel. In het werk zetten ze enkele gegevens over stotteren
op een rijtje. Vandaag heeft 1 procent van de wereldbevolking een
stotterprobleem. De kans dat kinderen stotteren,
bedraagt volgens recente wetenschappelijke studies 4,2 procent. Een
mannelijke stotteraar wiens vader ook stottert heeft 35 procent kans dat
ook zijn zoon stottert en 9 procent dat zijn dochter stottert. Een
vrouwelijke stotteraar wiens vader ook stottert heeft 71 procent kans dat
haar zoon zal stotteren, terwijl dat
voor haar dochter 0 procent is. Opvallend is ook dat vier maal meer mannen
dan vrouwen stotteren. Dat is nog
maar eens een aanduiding dat het stotteren
een genetische achtergrond heeft. Op stottervlak zijn de mannen zeker het
zwakke geslacht. Ik baseer mij voor de genetische verklaring van het stotteren
op wetenschappelijke onderzoeken die gebeurd zijn op eeneiige tweelingen
en op stamboomonderzoek, stelt Reunes.
Een definitie geven van stotteren
is volgens de auteur zeer moeilijk. In de literatuur zijn er zoveel
definities, maar geen enkele voldoet en is volledig. Stotteren
kun je moeilijk algemeen definiëren omdat het een zodanig dynamisch en
complex probleem is en verschilt van persoon tot persoon, legt Reunes uit.
Wel moet je volgens de auteur een duidelijk onderscheid maken tussen
primair en secundair stotteren.
Primair stotteren is zoals het woord
het zegt: beginnend stotteren. Dat
betekent dat je woordjes herhaalt of blijft hangen op een klinker of
medeklinker. Primair stotteren
ontstaat tussen het tweede en derdede leerjaar en zou volgens de jongste
Amerikaanse studies verband houden met een aangeboren
synchronisatiestoornis in de hersenen. Het secundaire stotteren
is een aangeleerd gedrag dat verschilt van mens tot mens. Dit ontstaat,
wanneer het kind zich bewust wordt van zijn primair stotterprobleem en
ervoor vlucht of er krampachtig tegen vecht. Personen met een secundair
stotterprobleem isoleren zich, gebruiken synoniemen, gaan situaties uit de
weg en verdringen hun eigen persoonlijkheid. Vaak ontstaan ook fysieke
problemen zoals buikkrampen en hartkloppingen. Ik probeer altijd eerst het
secundaire stottergedrag af te leren omdat het aangeleerd is. Het primaire
stottergedrag is genetisch bepaald. Mijn ervaring leert dat secundair
stottergedrag vooral te maken heeft met spreekangst, legt Reunes uit. Zelf
had hij naar eigen zeggen zeven jaar geleden veel last van secundair stotteren
in de vorm van vluchtgedrag.
Hersenafwijking
Stotteren is geen ziekte maar een hersenafwijking, legt Reunes
uit. Stotteren kan je eigenlijk niet
afleren. Het is niet te genezen. Toch is het voor wie echt gemotiveerd is
mogelijk op een gecontroleerde manier te spreken, stelt hij. Zelf leerde
de stottertherapeut zijn stotteren
beheersen via de Hausdörfer-methode. Reunes heeft die methode van het
trager en zangerig spreken in Vlaanderen mee groot gemaakt. Toch geloof ik
niet in de Hausdörfer-methode als de enige en zaligmakende manier om het stotteren
af te leren. Iedere stotteraar is een unieke stotteraar. Je moet dus eerst
onderzoeken hoe de persoon in kwestie in elkaar zit om te zien of de Hausdörfer-methode
toepasbaar is. Als voorzitter van de Belgische Belangengroep voor
Stotteraars (BeSt) sta ik open voor alles. Ik heb wel ervaren dat personen
met een stotterprobleem die alles hebben geprobeerd, van logopedie tot
handoplegging, met de Hausdörfer-methode zeer veel vooruitgang maken,
stelt hij.
De Hausdörfer-methode, waarmee hij zeven jaar geleden begon, heeft voor
Reunes persoonlijk zeer goed gewerkt. De methode is genoemd naar de in
1864 geboren Hugo Heinrich Oscar Hausdörfer. Hij was een zwaar stotteraar
die zijn lot in eigen handen nam om tot een oplossing van zijn
stotterprobleem te komen. Uiteindelijk richtte hij op 20 november 1895 het
zogenaamde Spreekleerinstituut op. Vandaag baseert het Nederlandse
Instituut Natuurlijk Spreken (INS) zich op de inzichten van Hausdörfer om
mensen met stotterproblemen te helpen. De methode baseert zich niet op
verschillen tussen stotteraars en natuurlijke sprekers maar op aspecten
waarin de stotteraar van zichzelf verschilt op verschillende momenten:
wanneer hij wel en wanneer hij niet stottert. Daardoor komt de kern van
het probleem aan het licht. De spreekrust is immers verstoord als het
vertrouwen in het uitspreken van bepaalde woorden of letters ontbreekt. De
Hausdörfer-methode geeft een weg aan die het de stotteraar mogelijk maakt
het vertrouwen in zijn spreken of spreekrust te herstellen en te behouden.
Dat mondde uit in de methode van het zangerig spreken omdat de meeste
stotteraars bij het zingen geen probleem ondervinden. Reden is dat zij net
als niet-stotteraars ervan overtuigd zijn hierbij geen problemen te kennen.
Door dat gevoel blijven ze rustig en spreken ze beter. De Hausdörfer-methode
komt hierop neer dat je als stotteraar je spreeksnelheid sterk vertraagt.
Daarnaast moet je luisteren naar je eigen klanken en die sturen. Je zit
dan als stotteraar als het ware aan het stuur van je klankenpatroon, legt
Reunes uit.
Dominantie
Gert Reunes heeft via de Hausdörfer-methode de link gelegd met de
cerebrale dominantietheorie van de Amerikaanse wetenschappers Samuel Orton
en Lee Edward Travis. Travis bracht spreken voor het eerst in verband met
de hersenactiviteiten en lanceerde met Orton een van de eerste
neurofysiologische theorieën over het ontstaan van stotteren.
De cerebrale dominantietheorie stelt dat stotteren
het gevolg is van een gebrekkige dominantie van de ene hersenhelft over de
andere. Bij de natuurlijke sprekers is dat de linkerhersenhelft. Bij de
stotteraar is er geen of onvoldoende dominantie van de linker- op de
rechterhersenhelft waardoor geen goede synchronisatie plaatsvindt in de
signalen die naar de articulatiespieren gaan.
Vandaag wint de theorie van
Orton & Travis steeds meer aan belang omdat men nu bij stotteraars
veel beter kan zien welke hersendelen actief zijn. Uit de vooronderzoeken
die aan de verschillende universiteiten zijn gevoerd, blijkt dat bij
stotteraars de twee hersenhelften even actief zijn, stelt Reunes. De link
van de Hausdörfer-methode met de theorie van Orton & Travis is
volgens de auteur evident. Algemeen wordt aangenomen dat de
rechterhersenhelft wordt gebruikt voor intonatie, ritme en spreeksnelheid.
Als je dat gaat overdrijven, ga je de functie van de rechterhersenhelft
sterk stimuleren. Dat leidt tot een vloeiender spreekgedrag, besluit hij.
Philip Vuylsteke en Gert Reunes m.m.v. prof. dr. John Van Borsel - Als
spreken moeilijk is. Gids voor stotteraars en hun omgeving - Tielt, Lannoo,
173 blz.,16,96 euro (684 fr.),ISBN 90-209-4413-4.
Het zesde wereldcongres voor
stotteraars loopt van 23 tot 26 juli in de Aula te Gent. Inlichtingen:
www.stotteren.be of e-mail: vzw.best@skynet.be
Henk Dheedene
© 2001 Uitgeversbedrijf Tijd
NV