Stottermedicatie staat nog in de kinderschoenen
(De Morgen 23 oktober 1998)


Stotteren is erfelijk bepaald en heeft een neurologische oorsprong eigen berichtgeving. Stotteren betekent als kind vurig hopen dat de juf jou er niet uitpikt om voor de klas een verhaal te komen vertellen of luidop voor te lezen. Volwassenen moeten dan weer lijdzaam toezien hoe sollicitatiegesprekken en mondelinge examens de mist ingaan. Volgens neurolinguïst Van Borsel (RUG) raken door die dagelijkse ongemakken te veel stotteraars in een sociaal isolement verzeild. "Nochtans kunnen veel mensen met de bestaande therapieën geholpen worden. Momenteel experimenteren we volop met medicatie omdat we zeker weten dat het fenomeen een neurologische oorsprong heeft. Bovendien is stotteren erfelijk bepaald, wat betekent dat een stotteraar tot drie keer meer kans loopt bij zijn eerstegraadsverwanten ook stotteraars te hebben." Gisteren ontmoetten Belgische stotteraars elkaar op een studie- en informatiedag, naar aanleiding van de Wereldstotterdag.

Naar schatting 100.000 Belgen lijden aan de handicap. Opvallend is dat stotteren drie keer vaker lijkt voor te komen bij jongens dan bij meisjes. Ook eeneiige tweelingen worden er meer door getroffen dan twee-eiige. Het fenomeen is niet leeftijdsgebonden, maar Van Borsel onderscheidt grofweg twee categorieën. "De grootste groep zijn de 'ontwikkelingsstotteraars', kleuters tussen twee en vijf jaar die - in de periode dat een kind normaal zijn spraak ontwikkelt - wel goede zinnen bouwen, maar niet vloeiend spreken. Als je snel ingrijpt, kan je dat nog enigszins verhelpen. Maar zodra dat kind in de lagere school komt, beginnen de problemen. De druk van externe factoren wordt dan alsmaar groter, waardoor het moeilijker wordt om van het stotteren af te geraken. Ongeveer de helft van de ontwikkelingsstotteraars 'geneest', maar het gevaar voor herval blijft reëel." De 'verworven stotteraars' vormen een tweede groep. "Dat zijn mensen die na een ongeval of een hersenbloeding beginnen te stotteren. In dat geval is het fenomeen meestal van voorbijgaande aard", beweert Van Borsel.

Stotteraars kunnen aan de hand van verschillende therapieën hun handicap camoufleren, soms zelf genezen. "We leren de stotteraars omgaan met hun schaamte- of angstgevoelens, waardoor ze na verloop van tijd 'vloeiend stotteren'. Meestal combineren we die therapie met een tweede, die resulteert in vloeiend spreken. De stotteraar leert verschillende linguïstische eenheden vloeiend uitspreken, waarna het aantal eenheden opgedreven wordt. Op den duur verdwijnen dan ook de negatieve gevoelens", legt Van Borsel uit.

Momenteel krijgen verscheidene patiënten van Van Borsel medicatie toegediend. "Omdat we zeker weten dat stotteren in de hersenen bepaald wordt, hebben we een medicijn kunnen ontwikkelen. Maar voorlopig zijn er nog te veel nevenwerkingen om van een succes te spreken.


(SS)


© 1998 Uitgeverij De Morgen NV