Stotteren is erfelijk bepaald en heeft een neurologische oorsprong
eigen berichtgeving.
Stotteren
betekent als kind vurig hopen dat de juf jou er niet uitpikt om voor de
klas een verhaal te komen vertellen of luidop voor te lezen. Volwassenen
moeten dan weer lijdzaam toezien hoe sollicitatiegesprekken en mondelinge
examens de mist ingaan. Volgens neurolinguïst Van Borsel (RUG) raken door
die dagelijkse ongemakken te veel stotteraars in een sociaal isolement
verzeild. "Nochtans kunnen veel mensen met de bestaande therapieën
geholpen worden. Momenteel experimenteren we volop met medicatie omdat we
zeker weten dat het fenomeen een neurologische oorsprong heeft. Bovendien
is stotteren erfelijk bepaald, wat
betekent dat een stotteraar tot drie keer meer kans loopt bij zijn
eerstegraadsverwanten ook stotteraars te hebben." Gisteren ontmoetten
Belgische stotteraars elkaar op een studie- en informatiedag, naar
aanleiding van de Wereldstotterdag.
Naar schatting 100.000 Belgen
lijden aan de handicap. Opvallend is dat stotteren
drie keer vaker lijkt voor te komen bij jongens dan bij meisjes. Ook
eeneiige tweelingen worden er meer door getroffen dan twee-eiige. Het
fenomeen is niet leeftijdsgebonden, maar Van Borsel onderscheidt grofweg
twee categorieën. "De grootste groep zijn de 'ontwikkelingsstotteraars',
kleuters tussen twee en vijf jaar die - in de periode dat een kind normaal
zijn spraak ontwikkelt - wel goede zinnen bouwen, maar niet vloeiend
spreken. Als je snel ingrijpt, kan je dat nog enigszins verhelpen. Maar
zodra dat kind in de lagere school komt, beginnen de problemen. De druk
van externe factoren wordt dan alsmaar groter, waardoor het moeilijker
wordt om van het stotteren af te
geraken. Ongeveer de helft van de ontwikkelingsstotteraars 'geneest', maar
het gevaar voor herval blijft reëel."
De 'verworven stotteraars'
vormen een tweede groep. "Dat zijn mensen die na een ongeval of een
hersenbloeding beginnen te stotteren.
In dat geval is het fenomeen meestal van voorbijgaande aard", beweert
Van Borsel.
Stotteraars kunnen aan de
hand van verschillende therapieën hun handicap camoufleren, soms zelf
genezen. "We leren de stotteraars omgaan met hun schaamte- of
angstgevoelens, waardoor ze na verloop van tijd 'vloeiend stotteren'.
Meestal combineren we die therapie met een tweede, die resulteert in
vloeiend spreken. De stotteraar leert verschillende linguïstische
eenheden vloeiend uitspreken, waarna het aantal eenheden opgedreven wordt.
Op den duur verdwijnen dan ook de negatieve gevoelens", legt Van
Borsel uit.
Momenteel krijgen
verscheidene patiënten van Van Borsel medicatie toegediend. "Omdat
we zeker weten dat stotteren in de hersenen bepaald wordt, hebben we een medicijn
kunnen ontwikkelen. Maar voorlopig zijn er nog te veel nevenwerkingen om
van een succes te spreken.
(SS)
© 1998 Uitgeverij De Morgen NV