Prachtig gedicht van Sen

Befanghe

 

We leven de leugen, want de waarheid doet pijn,

Zo kom ik bij zinnen in een zoutwoestijn.

Als Lof der Zotheid nu norm wordt, jawel,

Dan beklaag ik mezelf in dit Mimespel.

 

Zeven zotten zijn zowel,

Peperduur als pimpernel.

Larielaster Loenersloot,

Hier ligt Poot en hij is dood.

 

Gekanaliseerde dromen gaven maandagavond,

Aanleiding tot stormen aan de kust.

Want een wolkendek biedt zielenrust,

Voor de mens die in eigen vergetelheid berust.

 

Repressie en angst doen ons menszijn verschuwen,

Zodat we kruipen als gekromde neologismen

Over de Afvlakking.

 

Ommeda reegels tons befanghe,

Weit smagte t losstevrikke,

Nee seggekic te ferfremde vantmiselfhe

 

Dan embraceer ik mijn destinie,

In mijn gegeven Dystopie.

 

 

 

Sen

Dit gedicht verhaalt op een uiterst abstracte en bevreemdende manier over stotteren, en dan heb ik het vooral over de manier waarop dat stotteren zich subcutaan profileert. Op een of andere manier wou ik bepaalde vragen en onzekerheden door middel van woord, klank en ritme aan de lezer overbrengen. De eerste strofe beklaagt het gevoel dat we als stotteraar vloeiend moeten spreken, dat vaak dat unieke aspect van onze persoonlijkheid onderdrukt moet worden. Daaruit volgt de conclusie dat we allemaal slechts acteurs zijn in een groot Mimespel. Ook bevat deze strofe enkele verwijzingen die elk hun symbolische bijdrage leveren (“Zo kom ik bij zinnen in een donker woud” – Dante Alighieri in La Divina Commedia, en Lof der Zotheid van Erasmus). De zoutwoestijn symboliseert de geïsoleerde ‘ik’.

De volgende strofe wordt gekenmerkt door doorgedreven alliteratie en fantoomtaal. Qua inhoud stellen deze verzen nauwelijks iets voor. Vormelijk laat het de lezer fronsen. Hiermee wou ik een oppervlakkig muzikaal gestotter creëren. Die imaginaire frons bewijst de kritische houding van de maatschappij tegenover de manier waarop sommigen met dat stotteren omgaan, hoe zij dat vormgeven, als ze niet binnen de lijntjes kleuren.

Strofe drie kent een trager ritme (in vergelijking met het gejaagde kinderlijke rijmpje van hierboven). Als stotteraar wordt je soms in een hokje geduwd. Frustraties laten de druk in dat kanaaltje exponentieel toenemen waardoor, als deze uitmondt in de zee, catastrofaal exploderen. Deze stormen vinden plaats op een maandagavond omdat deze kanalisering iets van alledag is, wat nietsvermoedend in ons leven sluimert. Hiermee sluit ik deel 1 van het gedicht af. Het deel waarin ik mooie rijm hanteerde, leuke alliteraties… In het volgende deel ontdoe ik me van die hokjes en regeltjes en verwachtingen.

Omdat we, of omdat er, vaak een deel van ons menszijn ontkennen, namelijk het feit dat we stotteren, wil dit zeggen dat we ons nauwelijks mens kunnen noemen. We verschuwen ons menszijn. Inderdaad, ‘verschuwen’ is geen bestaand werkwoord, maar zie het als een afrekening met de taalregelgeving en regelgeving in het algemeen. De ‘Sch’-klank gaf naar mijn mening ook een accurate weergave van de manier waarop we op het menszijn spuwen. ‘Neologismen’ is in deze context de alternatieve mens die geen mens meer mag zijn omwille van zijn beperkingen.

Dan komt qua vorm het hoogtepunt van het gedicht. In een soort van Middelnederlandse/dialectische weergave lap ik de regels van de taal volledig aan mijn laars. Waar ik in de strofe de vervreemde, toekomstige mens opzocht, neem ik nu een grote stap terug in de tijd, naar de bron. Taal baant hier zijn eigen weg en verkiest de totale vrijheid. Vrijheid van klank. Hier staat het protest centraal.

Na de uitbarsting van daarnet, komt het in de slotstrofe tot een vreedzame berusting. Met nog een meer fantasiewoorden omhels ik het lot dat me gegeven is.

 

Post comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

© 2015 realisatie KMOwebdiensten.be