Stottertherapeut Adriaan Bertens reageert op SPRAKELOOS

Auteur: Adriaan Bertens

EEN HELDERE BENADERING VAN STOTTEREN

Als reactie op de vertroebelde praktijk rondom het fenomeen stotteren in Nederland

In Nederland bestaan er nogal wat ideeën over de oorsprong van stotteren en de aanpak ervan. Zowel onder leken als professionals. Veel van deze ideeën kunnen probleemloos naar het land der fabelen worden verwezen. Want te lang is geloofd dat stotteren overbodig en dus af te leren was, veelal gebaseerd op pseudowetenschap. Gelukkig begint er in Nederland voedingsbodem te komen voor een wetenschappelijke benadering van stotteren. Ik meen daarom dat de tijd rijp is voor een kraakheldere introductie op het werk van de vooraanstaande wetenschapper en spraakpatholoog Charles van Riper.

Zijn evidence-based theorie geeft klip en klaar antwoord op de vraag: wat is stotteren en wat is hiervoor de natuurlijke en effectieve aanpak?

Stotteren als vriend én vijand

Sanne Hans, beter bekend als zangeres Miss Montreal, vertelde recent (6 juni 2013) in een tv uitzending van omroep BNN over haar relatie met stotteren. Stotteren, vertelde ze, is mijn grootste vijand én tegelijk mijn grootste vriend. Zelf stottert ze er af en toe lustig op los. Ze lijkt moeiteloos te praten mét stotteren en moet moeite doen om zonder stotteren te praten. Dat kán ze wel, maar wil ze meestal niet. Ze kan vloeiend zingen en vloeiend spreken met opvallende armgebaren. Maar ze kiest dus bewust voor moeiteloze spontaniteit mét stotteren. Daarmee pleit ze impliciet voor de vrijheid van het woord. Het lijkt haar keuze in vrijheid. Sanne’s stotteren wisselt; soms gaat praten moeizaam, soms vanzelfsprekend. Ze lijkt het te nemen zoals het komt. En dus nemen haar luisteraars het gestotter ook zoals het komt. Niemand kan haar immers dwingen om gecontroleerd, aangepast te spreken. Evenmin kan Sanne mensen dwingen om naar haar gestotter te luisteren. Maar dat doen de meeste mensen wél. Omdat Sanne wat te zeggen heeft. Vaak frisse, zinvolle, eerlijke dingen. Ze heeft vriendschap gesloten met haar stotteren. Sanne Hans kiest voor die vriendschap. Een originele vriendschap, die haar wat brengt: vrede. Natuurlijk is er soms ook vijandigheid. Echte vriendschap dus, met alles er op en er aan.

 

Stottersprookjes

Natuurlijk zijn er óók krachten die iets tégen haar opvallende keuze hebben. Die krachten richten zich natuurlijk niet op Sanne Hans zelf. Ze kijken wel uit om een rijzende ster als Miss Montreal te bekritiseren. Nee, de tegenkrachten richten zich op de vakmensen. In dit geval de stottertherapeuten die betrokken zijn bij het televisieprogramma van BNN. Deze vakmensen worden aangevallen op hun realistische boodschap aan de kandidaten. Deze luidt:: ga het proces in om bevriend te raken met onwillekeurig en grillig stotteren. Die boodschap is voor velen geen sinecure. En gaat tegen de ondeskundige stroom in. Het idee dat stotteren overbodig is, ligt immers ten grondslag aan de mening van de morrende meute. Het is volgens de massa knap als je je stotteren met kunstgrepen de baas kunt. Zeker als het stotteren bizarre vormen aanneemt. Dan lijkt een wonder geschied in een paar dagen. Maar dat zijn sprookjes.

Sinterklaas bestaat niet. Het is pure zinsbegoocheling!

 

Deze sprookjes die de stotter-intolerantie opjagen, worden bijvoorbeeld door het instituut van de reeds overleden zangpedagoog Del Ferro al jaren héél handig gevoed. Het resultaat van die beïnvloeding is, dat de ondeskundige man van de straat vindt, dat stotteren niet hoeft. Kwestie van goed ademen! Net zo makkelijk! Om die reden brengt Sanne Hans de leek in verwarring. Ze kan vloeiend praten, maar wil het niet. Waarom doet dat wicht niet beter haar best? Nou simpel. Omdat het onmenselijk is. En onnatuurlijk. Eérst concentreren, dan ademen en dan pas spreken is onnatuurlijk. En daarom niet vol te houden. Voor haar is stotteren natuurlijk. En daar kiest ze voor. De prijs van beheersing is voor haar te hoog. Bovendien klopt het ademsprookje ook fysiologisch niet. Nu is het weer het televisieprogramma ‘sprakeloos’ van de KRO dat valse mythes voedt. De ondeskundige infotainmentmachine ligt aan de voeten van Arie Boomsma…Ik vind het ongelooflijk…Bandje om de borstkas, ademen en weg stotteren.(zij het voor even) De media zijn in geval van een terugval in geen velden of wegen meer te bespeuren. Nuance, details en diepgang zijn niet goed voor de kijkcijfers. Om aan te tonen dat wondertherapie toch niet zo goed werkt als het aanvankelijk leek, is weinig publieke belangstelling. We maken/bekijken liever een show met deze stotteraars dan ons te verdiepen in de achterliggende theorie. Sleur schuift en is verleidelijk.

 

Het doel heiligt de middelen

De grote massa beziet stotteren tamelijk eenvoudig. Problemen moeten weg. Dus óók

stotteren. Beheersingstechnieken trainen, als het moet zelfs onnatuurlijke: het doel heiligt de middelen. De vraag is: wat te doen als je stottert of stotteren behandelt? Vrijuit stotteren of stotteren verdelgen? Wat is nou ‘wijsheid’? We willen eenvoud, geen verwarrende boodschap. Laten we die wezenlijke vraag beantwoorden. Door het fenomeen stotteren objectief en subjectief te beschrijven en genuanceerd te bekijken én met kennis van zaken. Even doorbijten. Ik maak het helder.Essentie is uiteindelijk Eenvoudig: E=E .

 

Wat is stotteren?

En wat is de kloppende, natuurlijke, duurzame en effectieve aanpak?

Vanuit een klinisch en theoretisch kader is stotteren een al dan niet erfelijke neuromotorische timingsstoornis. Dat wil zeggen dat de juiste spreekbewegingen niet consequent op het juiste moment gemaakt worden. Het moment dat dit gebeurt, gaat het ingenieuze en razendsnelle spraakterugkoppelsysteem op eigen initiatief bijsturen. Door nóg eens te proberen, of door de klank aan te houden ter bijsturing. Dat doet het systeem vanzelf. Het primaire stotteren (herhalen en verlengen) is in de kern dus hoorbare zelfcorrectie ten gevolge van onhoorbare mistiming van de spraakbewegingen. Feitelijk is het niets anders dan een planningsprobleem in het spreken. Deze planningsproblemen kunnen deel uitmaken van het ontstaan van stotteren. Het taal- en spraaksysteem is bij kinderen aan het ontwikkelen in de richting van een heel ingenieus, snel, maar feilbaar communicatiesysteem. Vandaar ook dat stotteren bijna altijd ontstaat in de periode van de taalverwerving. Zeker bij stormachtige of haperende taalontwikkeling. Meestal ontstaat stotteren tussen het tweede en vierde jaar. Vaak doordat er in de spraakmotorische ontwikkeling iets mis gaat. Soms is dat tijdelijk, maar als de neuromusculatuur zwak aangelegd is, gaat het chronisch mis. Stotteren blijft hangen bij ongeveer 1% van de kinderen.

 

De theorie van Charles van Riper (1905-1994): een begin van helderheid

De fenomenologische verklaring dat stotteren in wezen een neuromusculaire timingsstoornis is, werd als eerste gepostuleerd door de Amerikaan Charles van Riper, een alom gerespecteerd wetenschapper/ spraakpatholoog. Hij publiceerde over logopedie en vooral over stotteren. Zijn leerboeken zijn over de hele wereld vertaald. Hij ging dieper in op stotteren, mede omdat hij het zelf van kinds af aan deed. Hij heeft zijn spraak zijn hele leven moeten sturen. Hij was óók een gerespecteerd en charismatisch therapeut. Van hem zijn bij vakmensen ingenieuze en innovatieve behandeltechnieken bekend, zoals de ‘cancellations’ Hij was werkelijk een pionier, in een inmiddels onvoorstelbare tijd, waarin er bijvoorbeeld geen bandrecorders waren. Evenmin had hij hulpmiddelen tot zijn beschikking die de snelle spraakbewegingen konden analyseren. Spraakspieren bewegen duizelingwekkend snel. Wat hem restte was het fenomeen bekijken, experimenten doen en zorgvuldig nadenken.

 

De betrekkelijkheid van vloeiend spreken

Toen die apparatuur uiteindelijk beschikbaar kwam, bleek Van Riper gelijk te hebben: óók bij vloeiend klinkende spraak is er sprake van mistiming. Dus: de stottervrije spraak bleek allerminst perfect. Daarmee werd een groot mysterie opgelost: waarom stottert een mens niet altijd? Waarom wisselt het zo? De vloeiende spraak van stotterende mensen wemelt óók van de mistiming, maar nét niet erg genoeg voor bemoeienis van het zelfcorrectiesysteem. Dan klinkt het oppervlakkig vloeiend, maar is het feitelijk allerminst. Stotteren wat weg lijkt, is niet weg. Vloeiend spreken hapert aan alle kanten.

Stromstra (USA) was de eerste (1986) die op basis van een fonetische analyse (hetonzichtbare van spraak meten) lange termijn voorspellingen waagde te doen: “Dit kind stottert nu vreselijk, maar de fonetische analyse wijst uit, dat het vanzelf zal verminderen. Want het is nu wel herhalen en verlengen, maar niet op basis van onhoorbare mistiming”. Die voorspellingen van de Amerikaan Stromsta bleken zéér accuraat. Hij heeft de kinderen uit de studie ongeveer 30 jaar gevolgd. Het aantal onzichtbare mistiming was dan bij de kinderen die zonder hulp herstelden weinig of nihil, ondanks flink hoorbaar gestotter. In zo’n geval is therapie onnodig. Want er is geen neuromusculaire stoornis. Begeleiding van de omgeving (gezin, school) is dan wel gewenst. Maar het kind zelf hoeft niks te leren compenseren.

In 1991 schreef professor Van Riper ‘final thoughts about stuttering’ in het gerenommeerde vaktijdschrift Journal of Fluency Disorders. Hij (toen 86 jaar) wilde op een bierviltje even kwijt, wat hij na 60 jaar studie en ervaring, wist over de essentie van stotteren: een al dan niet erfelijke neuromusculaire timingsstoornis. Een monumentaal viltje, bijna 25 jaar geleden. Een belangrijk begin van helderheid. Gefundeerde helderheid wel te verstaan.

 

Klinkklare onzin

Ik was in 1991 al een jaar of twintig vakman op het gebied van stotteren. Ik had veel internationaal contact, met name met Amerikaanse, Vlaamse en Duitse vakbroeders. Ik verbaasde me vaak over baarlijke nonsens die werd beweerd over stotteren, binnen en vooral ook buiten het vakgebied. Een vreselijk voorbeeld hiervan binnen het Nederlandse vakgebied:

Pé Faber schreef in 1975 het boekje ‘achtergronden van stotteren en spreekangst’. Hij beweerde dat stotteren veroorzaakt werd door moeders. Sommige moeders wilden eigenlijk dat hun zoon een meisje was. Daardoor waren het onzekere mannetjes. Ze projecteerden die onzekerheid op de lengte van hun penis. Die zou te kort zijn. De remedie van logopedist Faber was, om de met stotterende jongens een penisvergelijking te gaan doen in de gemeenschappelijke kleedruimte van een zwembad. Opgelucht genazen ze. Tegenwoordig zou je voor een uitvoering van een dergelijk voorstel opgepakt worden, maar toen was dat dé succesvolle remedie, die amateur psychoanalyticus Faber te boek stelde. Faber volgde Freud daarin – een beetje – met zijn psychodynamisch standpunt. Ik heb de therapeutische adviezen als jonge stottertherapeut nooit opgevolgd, omdat er geen enkele wetenschappelijke onderbouwing was, die zijn remedie schraagde. Anekdotische onzin. Van een senior nog wel. Faber was kind van zijn tijd. Logopedie was kinderspel.

Er kwam ook veel onzin van buiten het vakgebied. Zo was daar zangpedagoog Leo van den IJzer, alias Len del Ferro. Volgens hem was flankademhaling dé remedie tegen stotteren. Apekool van de acteur van het eerste ‘head &shoulders’ spotje op de televisie: “het werkt! En bij hem ook!” Wat voor shampoo werkt, geldt vast ook voor flankademhaling. Fabeltjes. Het was namelijk het identieke verhaal van de Amerikaan Martin Schwarz. Met zijn ‘stuttering solved’ (1976) had hij in de Verenigde Staten flankademhaling gepropageerd als dé zaligmakende remedie. Al duurde dat niet lang.

Waarom werd deze onzin zo lang getolereerd in Nederland?

Die onzin was in Amerika geen lang leven beschoren: het wetenschappelijk kader aldaar vroeg Schwarz om een methodologische en theoretische verantwoording. Die had hij niet en dus werd het na verloop van tijd stil. Waarom is het hier rondom Del Ferro nog altijd niet stil geworden? Omdat de Nederlandse logopedie destijds geen wetenschappelijk kader had. Er kon ongestraft onzin beweerd worden over moeders, over ademhaling. Dat laatste gebeurt overigens nog steeds.

Erger nog: ambtelijke colleges, zoals de vereniging zorgverzekeraars Nederland hadden destijds niet de moed en kennis om pretenties te ontzenuwen. Zorgverzekeraars vergoedden flankademhaling om opportunistische redenen. Er was toen geld genoeg. De druk van de media werd handig opgevoerd. Men riep er schande van dat zo’n simpele remedie niet meteen vergoed werd door de verzekeraars, want het effect was duidelijk te zien en horen. In elk geval eventjes.

Ik werd destijds met mijn gegronde bezwaren tegen dit opportunisme van het kastje naar de muur gestuurd. Ik werd met mijn ‘evidence’ afgebekt. Het werd afgedaan als ‘jalousie de métier’. Dat was het zeker niet. Flankademhaling heeft wel effecten. Maar geen geneeskrachtige effecten. Ademtraining kan wel werken. Maar zeker niet vanwege de methode. Die is namelijk onzinnig en voldoet niet aan wetenschappelijke, logische criteria.

De meta-analyses van stottertherapie-resultaten laten niets aan duidelijkheid te wensen over: ademtherapie werkt wel, soms sensationeel, omdat het vertraagt.

Daar waar spraakpathologie in de Verenigde Staten een volwaardige toegepaste gedragswetenschap was, bleef dat in Nederland ver achter. Hier was logopedie een

verbijzondering van de kweekschool. Wetenschap? Nee. Spraakkunst? Ja. Welsprekendheid? Zeker! Maar geen streng wetenschappelijk regime voor pretenties, zoals in de Verenigde Staten. Evidence-based stond in de kinderschoenen. Onderbouwing ontbrak. Dus kon er geraaskald blijven worden.

 

Een voorzichtige kentering in Nederland: met vallen en opstaan

Inmiddels is de fundering van de logopedie in Nederland wél gegroeid. Er is heden ten dage een ‘master of science’ in de spraakpathologie. Er worden richtlijnen geformuleerd op basis van wetenschappelijke feiten.

Toch worden grote monden en ongefundeerde pretenties nog altijd niet met genade afgestraft. Dus kan er nog steeds onzin beweerd worden. Pijnlijk voorbeeld is de pionier van deneurochirurgie van de vorige eeuw, dr. Ed de Grood uit Tilburg. Hij was gezaghebbend en meende iets over stottertherapie en adem te kunnen zeggen, terwijl hij daar geen bal verstand van had. Zo gaf hij in een persoonlijk gesprek toe, dat hij nog nooit gehoord had van onze wetenschappelijke tijdschriften. Journal of Speech and Hearing Research? Journal of Fluency Disorders? “Nooit van gehoord”, zei dr. De Grood. Hij was grood op een aanpalend terrein, maar totaal onwetend op mijn gebied, de spraakpathologie.

Toch bleef deze arts ongefundeerd beweren dat flankademhaling dé remedie tegen stotteren was. Niemand die deze bekwame neurochirurg terugstuurde naar zijn leest. En vader Del Ferro spande De Grood voor zijn karretje. Een mooi voorbeeld van misbruik van ‘medische autoriteit’. De Grood was totaal niet geïnformeerd over stotteren, maar zijn redenering staat anno 2013 nog prominent op de site van dochter Del Ferro. Dat is allemaal mogelijk. Stelt u zich voor dat ik iets zou beweren over de neurochirurgie, omdat ik in 2004 patiënt was…

 

Wanneer spreken we van genezing dan wel verbetering?

Er is gelukkig een gezonde ontwikkeling. Voor ambitieuze pretenties moeten bewijzen overlegd worden. Ongeveer dertig jaar geleden kon de Brabantse kruidendokter van Moosdijk beweren dat zijn kruidenmengsel een medisch wondermiddel was. Er worden nu gelukkig eisen gesteld aan bewijs. Zo snapt iedereen dat amputatie geen genezing van kanker bewijst. We praten over ‘genezing’ als iemand vijf jaar na dergelijke ingrepen nog leeft. Zo spreken we bij stotteren van ‘genezing’, als er 97% spontane vloeiendheid is, vijf jaar na het laatste contact met de therapeut. Dat gebeurt bijna nooit. Zeker niet als iemand een jaar of negen gestotterd heeft. Dan prijkt op hem of haar het terechte en vervelende etiket ‘chronic perserverative stuttering syndrome’: min of meer ongeneeslijk stotteren. Op zo’n moment is het raadzaam als mensen, net als Sanne Hans, vrede sluiten met hun stotteren. Voor de onderbouwing van de classificatie ‘verbetering’ zijn minder strenge criteria. Verbetering is er al gauw. De periode is wisselend. Soms weken, soms jaren, soms zelfs een stabiele verbetering Maar als het gaat over de claim ‘genezing’, kunnen we niet streng genoeg zijn. Want die hoopvolle pretentie mobiliseert al gauw ijdele hoop. En dan levert het op termijn diepe teleurstelling op. Dan zijn de camera’s al weer bij een andere kijkcijferhit.

Vrede met jezelf geeft meer rust. Zeker op lange termijn.

 

De wetenschappelijke criteria voor succes

Voor stotteren heeft professor Bloodstein uit New York twaalf wetenschappelijke criteriageformuleerd voor claims van de werkzaamheid van een methode. Zo moeten er veeleisende spraakmetingen gedaan worden. Bij voorkeur in de praktijk van alledag én ongemerkt. Er is voldoende en overtuigend internationaal wetenschappelijk bewijs dat stottertherapie helpt. Ook op lange termijn. Mits de juiste ingrediënten deel uitmaken van de aanpak. Vertraging is daarbij cruciaal. Vertraging van spraakbeweging is verreweg de meest effectieve strategie. Die vaststelling is helemaal in lijn met de verklaring van stotteren als neuromusculaire timingsstoornis.

 

Vertragen kan verder op zoveel manieren. De spraak verRUSTIGen is maatwerk. Ook charlataneske methoden werken vaak wel even: vertragen maakt vaak impliciet (toevallig) deel uit van de aanpak. Zo vertraagt flankademhaling de spraakproductie aanzienlijk. Tussen de zinnen zijn lange adempauzes verplicht. Bewust ademen is ook vertragen. Dan zijn we meteen bij de reden waarom Sanne Hans vloeiend zingt. Gezongen spraak is langzamer. Zingen is niets meer dan makkelijk praten: langzamer, makkelijker gecoördineerd en met voorgeprogrammeerde tekst. Dus ook wat betreft taalproductie is zingen eenvoudiger. Ik gok dat ingewikkelde, snelle teksten en snelle songs ook voor Sanne Hans moeilijk zijn. Bij zingen blijft de stem steeds ‘aan’ en gaat niet ‘aan-uit-aan-uit-aan zoals bij spreken. Dat mechanisme van aan-uit vraagt veel van de timing.

 

Er is dus keihard bewijs dat stotteren niet is wat het lijkt

De flankademhaling vertraagt. En is onnatuurlijk. Maar omdat het ook vertraagt, vermindert stotteren gewoonlijk. Zingen vertraagt. Dus vermindert het stotteren ook bij gezang, vaak dramatisch. Maar ik ken mensen die gaan stotteren als ze snel zingen. Dat kunnen ze niet. De reden voor verminderd stotteren lijkt dus het ademen of zingen, maar de teruggang in stotteren komt feitelijk door het vertragen. Het is niet wat het lijkt.

Tegen jonge kinderen spreken we eenvoudiger en daardoor is ons articulatietempo iets trager. Dat is meestal al genoeg om minder te gaan stotteren. Gaat het dan om stressreducerende invloed van kinderen? Nee, om de eenvoudiger, rustigere spreekbewegingen. Eenvoudiger bewegen en/of langzamer articuleren betekent direct (tijdelijk) minder stotteren.

 

Fiks stotteren is vaak niet wat het is: het is eerder flink verzet tegen haperen. Fiks verzet is overigens niet hetzelfde als een fiks neuromusculair timingsprobleem. Dat is iets wezenlijks anders. Een ernstige biologische component vraagt immers een héél andere therapeutische aanpak. Vechten tegen het stotteren is een heel ander fenomeen dan een timingsstoornis. Dit onderscheid is zó wezenlijk en wordt zo vaak NIET gezien, dat ik daarover méér ga uitweiden:

 

Wanneer stottert iemand ernstig?

Het etiket ‘ernstig stotteren’ gebruik ik alléén als de timingsstoornis ernstig is. Dat is met kennis van zaken te testen. Voor die kleinste categorie is de kans op volledig herstel van spontaan vloeiend spreken er niet. Cooper noemde dat in 1993 met recht en rede het ‘chronic perseverative stuttering syndrome’. Criterium om daar onder te vallen is onder andere het stelselmatig terugvallen ná therapie. Wat volkomen logisch is. En dus is van ‘eigen schuld’ of ‘niet willen’ geen sprake. En charlatans gaan de fout in, als ze dat wél beweren. Daarmee proberen ze hun onfeilbaarheid te rechtvaardigen. Maar bewijzen ze enkel hun onkunde. Door stotteren statistisch te benaderen, kunnen we ernstig stotteren in een ander daglicht plaatsen.

 

Stotteren statistisch bekeken

Gauss (1777-1855) was wiskundige en heeft met zijn toevalskromme bijgedragen aan tot wat nu de ‘normaalverdeling’ is: Het toeval is altijd verdeeld volgens onderstaande kromme. Veel menselijke eigenschappen zijn verdeeld volgens de toevalskromme, de ‘normaalverdeling’. Veel eigenschappen zijn namelijk ‘normaal verdeeld’:

Neem bijvoorbeeld lichaamslengte: een kleine groep heeft uiterste waarden (bijv. dwergen en reuzen), maar de meeste mensen zijn gemiddeld, aan de kleine kant of juist aan de lange kant. Dit geldt voor veel menselijke eigenschappen. Lengte, gewicht, intelligentie en motorische vaardigheden zijn allemaal normaal verdeeld. Dat geldt bijvoorbeeld niet voor zoiets als oogkleur. Motorische vaardigheden zijn ook normaal verdeeld. Epke Zonderland hoort bij de extreem motorisch vaardigen. Ik hoor bij de zwakke broeders (laag-gemiddeld). Dat ‘normale’ onderscheid is ook te maken voor timing van spraakbewegingen. Ook die motorische vaardigheid is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid normaal verdeeld:

68,2 % van de doorsnee populatie is gemiddeld, de overigen zijn óf goed óf zwak. De aanname is dan gerechtvaardigd, dat een hele kleine groep mensen in aanleg heel zwak is in de timing van spraakbewegingen, ongeveer 0,1 %. Dus van duizend mensen is er één héél zwak in de timing van spraakbewegingen. Als die persoon nou van nature heel rustig spreekt, is er niets aan de hand: het spraaksysteem wordt zelden of nooit overvraagd. Maar als deze, in aanleg, slecht timende persoon de pech heeft om van nature in een gangbaar tempo of toevallig snel te praten, dan is het bingo! Het gevolg is dan opvallend veel zelfcorrecties in de vorm van herhalen en/of verlengen. En als die persoon dan ook nog de pech heeft, niet zo taalvaardig te zijn of juist té taalvaardig, dan is het dubbel bingo. Driedubbele bingo kan óók: als er dan intolerantie is voor haperen (stotter niet!), is dat vragen om blokkades die minuten kunnen gaan duren. En dat terwijl de stottermomenten/mistiming feitelijk heel korte momenten zijn. Maar die verlengen onder druk van de stotter-intolerantie. Dan wordt het spreken vechten. Weg vrijheid van het woord. Weg spontaniteit. Haperen wordt dan blokkeren.

 

Het mysterie Sanne Hans verklaard

Ik heb het niet kunnen bepalen, maar ik gok dat Sanne Hans, de aanleiding voor dit schrijfsel, een lichte of matige erfelijke timingsstoornis heeft. Erfelijk, want haar moeder heeft ook gestotterd. Maar dat lijkt bij moeder helemaal weg. Lijkt…want je zou de vloeiende spraak van moeder Hans onder de microscoop moeten leggen, om deze uitspraak wetenschappelijk hard te maken. En als ze moe is? Of wat als ze alcohol genuttigd heeft?

Mensen met een lichte of matige neurologische timingsstoornis zijn vrij makkelijk ineens vloeiend te krijgen. Dat verklaart ook het bekende fenomeen ‘flight into fluency’: ineens totale tijdelijke verdwijning van stotteren. Maar vloeiend blijven, dat is andere koek. Voor mensen met een ernstige timingsstoornis is vloeiend spreken niet weg gelegd. Dat moeten ze ook niet willen. Streven naar vriendschap met het stotteren is wijs. Er niet tegen vechten. Stotteren mag, want de vrijheid van het woord is simpelweg belangrijker. Menselijker. Want stotterend spreken is feitelijk een vormkwestie. Het gaat uiteindelijk om de inhoud. Behalve voor mensen die krom denken.

Wat ook een rol kan spelen, is de hechting aan een “probleem”. Het persoonlijk imago. Sanne Hans heeft de overtuiging dat ze niet was ‘doorgebroken’ als singer-songwriter als ze niet zo duidelijk stotterde. Stotteren is volgens haar een opvallend voordeel geweest. De hechting aan het stotteren was er al, maar is nu dieper. Elk nadeel heeft zijn voordeel en in de beleving van Sanne Hans maakte haar stotteren het verschil tussen BN’er en OBN‘er. Dank je wel, nadeel!

 

De slotsom

De ernst van de onderliggende neuromusculaire timingsstoornis is vast te stellen door ervaren stotterdeskundigen. De ernst ervan (van het biologisch defect dat aan stotteren ten grondslag ligt) zou bepalend moeten zijn voor het type therapie dat daarvoor gevolgd wordt.

Het is ook bepalend voor de prognose en voor de houdbaarheid van therapieresultaten. Bij een eigentijdse effectieve therapie maakt spreekbewegingsvertraging altijd onderdeel uit van het aanbod. Gelukkig zijn er rolmodellen die zich niet klakkeloos neerleggen bij het ‘voldoen aan de norm’, aan dat wat gangbaar is. Het is een wonder dat vloeiend spreken de norm kan zijn. Spreken is ingewikkeld, duizelingwekkend snel en ingenieus. In werkelijkheid nog veel ingewikkelder dan hierboven beschreven. Het is een wonder dat het zo vaak normaal ontwikkelt. Leren praten kost ook veel meer tijd dan bijvoorbeeld leren lopen. Maar de essentie is eenvoudig: stotteren is een al dan niet erfelijke neuromusculaire timingsstoornis. Daar kan van alles bij komen, maar dit is de essentie, is mijn overtuiging.

Deze aanname bestaat al een jaar of zeventig. Dat is al een argument op zich: deze werkhypothese heeft de tand des tijds doorstaan. En dat is dan weer de verdienste van een groot wetenschapper en pionier: Charles van Riper (1904-1995). Hij stotterde zelf.

Stotteren zoals je het zelden ziet

Vanuit mijn praktijk als stottertherapeut in Zutphen zag ik vaak opvallende ‘casussen’. En als vrijgevestigd stotterconsulent zie ik ze nog. Daarmee kunnen we van de wetenschap naar de ingewikkelde én tegelijk eenvoudige praktijk stappen. Hieronder heb ik er twee omschreven.

 

Casus 1

Er kwam eens een mooie, roodharige pittige HAVO-scholiere van 16, die op zag tegen haar mondelinge examens omdat ze soms wel 17 minuten deed over één woord. De leraren zagen ook op tegen haar mondeling. Allemaal aangeleerde motorische vecht-aanwensels, zo stelde ik al snel vast. Dus af te leren. Na verloop van de therapie had deze scholiere veel kortdurende hakkeltjes. Ze haalde haar HAVO fluitend en ging haar droom achterna: ze meldde zich voor de opleiding tot OK-assistente in een ziekenhuis. Daar aangenomen worden, was ook geen sinecure. Maar het was een vechtster. Exorbitant stotteren werd sociaal, communicatief stotteren. Met vakkennis van mij en therapeutische mazzel die ons toeviel: een populaire jongen werd verliefd op haar. Dat deed haar zelfvertrouwen goed. Daar kon geen therapeutische sessie tegen op. Ze was later het zonnetje op de operatiekamer.

Casus 2

Een scholier kwam wekelijks vanuit Leeuwarden naar Zutphen vanwege zeer ernstig

motorisch stotteren. Zo op het oog: zeer ernstig stotteren. Maar het was ernstig vechten om NIET te stotteren. Na een tijd therapie in Zutphen was zijn stotteren zo minimaal, dat hij leraar geschiedenis is geworden op zijn eigen middelbare school. Ik heb zijn vechtreactie helpen veranderen en wat bleek toen: de onderliggende timingsstoornis was bij deze Fries duidelijk licht. En dan is de kans op herstel dus groot. Met minimaal vertragen. Dat bleek met kennis van zaken de juiste inschatting.

 

Samenvatting van ‘een heldere benadering van stotteren’:

Adriaan Bertens beweert in dit artikel dat stotteren in essentie een al dan niet erfelijke neurologische timingsstoornis is. Dit doet hij op basis van de theorie van de Amerikaanse spraakpatholoog Charles van Riper. Een neurologische timingsstoornis wil zeggen dat het zelfcorrectiesysteem van de spraak onzichtbare en onhoorbare mistiming door herhaling en/of verlenging corrigeert. Daardoor wordt stotteren hoorbaar. De persoon die niet vloeiend spreekt, kan gaan vechten om niet te stotteren. Maar dat maakt het spreekgedrag meestal complexer. Door methodisch vast te stellen hoe ernstig de onderliggende timingsstoornis is, kunnen meer gefundeerde therapie-adviezen gegeven worden. En bovendien voorspellingen worden gedaan over therapie-effectiviteit. Want terugval is eerder regel dan uitzondering. Vooral bij de pechvogels met een ernstige onderliggende timingsstoornis. Pijnlijk, maar goed om te weten. Zeker pijnlijk, omdat op dit moment de timingsstoornis niet te ‘genezen’ valt, wel te compenseren. Met vertraging. Volgens gedegen wetenschappelijke meta-analyse van therapie-effecten is gebleken dat spreektempovertraging deel uit MOET maken van elke verantwoorde hedendaagse stottertherapie. Als dat niet gebeurt én als er geen rekening wordt gehouden met de onderliggende ernst van de timingsstoornis, is men amateuristisch therapeutisch bezig. Het is een ergerlijke praktijk die je helaas maar al te vaak gepresenteerd ziet in de media. Ook is dit het geval bij onprofessionele therapie-instellingen. De aanpak van stotteren kán en moet simpelweg beter.

 

Over Adriaan Bertens

Adriaan Bertens (58) is al dertig jaar professioneel geboeid door het fenomeen stotteren.

Hij is ook vaak geërgerd door het lage niveau van het debat en de onvolledige belangstelling voor het grillige fenomeen. Ook is de stralende afwezigheid van deskundigen in de media hem een doorn in het oog. Het veelvuldig media-optreden van Sanne Hans (Miss Montreal), inclusief haar stotteren, was voor hem de aanleiding om in de pen te klimmen. Om uit te leggen.

Hij is publicist en co-auteur van het boekje voor ouders van stotterende kinderen: ‘kinderen die stotteren’, uitgegeven bij uitgeverij Boom. Omdat daar speciaal geschreven werd voor ouders, is de uitleg nu meer diepgravend. Adriaan geeft regelmatig Masterclasses stottertherapie in binnen- en buitenland, naast zijn werkzaamheden als teamcoach,

conceptontwikkelaar en sociaal architect: www.inmenssamenspel.nl

Post comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *

© 2015 realisatie KMOwebdiensten.be